MOUNT ARARAT en de stalen ring, door BorDom.

Oneindige bergen. Grote donkere vlakken verbrokkelen en worden uitgetrokken tot slagschaduwen die zich langzaam terugtrekken in spelonken, gaten en achter rotsenpartijen.
Moeizaam maar in al zijn schoonheid klimt de zon langzaam omhoog. Vuurrood van inspanning, tot hij straks, als een geel licht hoog aan de Hemel staat. Een alles verschroeiend geel licht.
Naast mij zie ik een hagedis die traag over een steen beweegt. Hij heeft die gele bol straks nodig. Absorbeert dan de hitte die de zon afgeeft. Voor hem is die hitte als brandstof voor een nieuwe dag. Hier en daar hoor ik een vogel. Verder is het doodstil.
Lisa ligt nog op bed. Slapend na een oneindige nacht in ons kleine, sobere pensionnetje nabij de grens van Iran. En ik? Ik voel me goed, wil genieten van dit hemelse spektakel dat zich voor mijn ogen ontvouwd. Het komt over mij heen als een zee, als een lange ademtocht die zich tot over een periode van een uur over mij uitstrekt.


'Lisa'.
'Leuke naam'.
We konden het goed met elkaar vinden. Leken de aanvulling op elkaar. Als die twee puzzelstukjes die naadloos in elkaar pasten. Dom en sub. Sub en Dom, switch, switch.
Na onze kennismaking wandelden we langs het water, de haven, wit van de vers gevallen sneeuw en elk geluid dempend onder de zwarte hemel. We waren alleen op de wereld, met in de verte de schitterende lichtjes van de industrieterreinen.
Ik kon elke dag rozen voor haar plukken, haar aanbidden, voor haar knielen, over haar heersen als over een adembenemende bundel spieren en vlees dat prachtig en sierlijk bewoog in het spel. Ik kon haar ook verafgoden in haar macht die als een gedicht rond haar gelaatstrekken stond gegraveerd als de rollen waren verdraaid. Lisa, een vrouw waaraan ik dan mijn vingers kon branden in Haar spel. Voor haar, voor haar alleen was ik gedienstig, voor haar knielde ik, was ik als klei, was ik buigzaam als bamboe, als een ruwe steen die je met een beitel en hamer kon vormen tot hij aangenaam oogde. Lijdzaam, dienstbaar haar grillen en kwellingen wegslikkend.
Onze nachten vulden zich met constant wisselende wolkenpartijen.
Ik hield van haar.

Voorzichtig komt de hagedis weer tevoorschijn, kijkt mij eerst een tijd wantrouwend aan en besluit dan op de steen te gaan liggen. Ik had er vrijwel als bevroren gezeten. Slechts mijn ogen bewogen zich en namen de beelden rondom mij op en stuurde ze door naar mijn geheugen. Als een krijttekening die uiteindelijk langzaam zou verbleken tot een vage, stoffige herinnering in mijn boek.

Centimeter na centimeter trok ik piepend het roestige tafeltje weg. Ik had haar geweldig uitgebalanceerd en zette de geïmproviseerde takel op de goede hoogte vast. Horizontaal hing zij, met haar buik naar beneden, hogtied in het midden van de ruimte en draaide zachtjes rond. Het mobiel van de deze nacht, van mijn hersenspinsels, van mijn wensen, mijn grillen, mijn verlangens om over haar te heersen, haar te bezitten, haar te nemen die nacht.
Praktisch alles wat kon bewegen was gebonden. Behalve acht vingers, acht tenen en haar ogen die haar ziel, haar emoties, vertwijfelingen en verlangen weerspiegelden en onzeker heen en weer flitsten om machteloos de gebeurtenissen om haar heen te kunnen volgen. Het enige communicatiemiddel dat haar restte, tezamen met de geluiden die zij ondanks de knevel voortbracht maar die niet ver van ons vandaan wegebden in de nacht, verloren ging in het geluid van de krekels.
Wat vage bewegingen vertelde mij dat er oneindig leven in de bondage zat.
Ze was als een rups in een cocon, Het touw trok diep in haar rondingen, waardoor deze nog zwoeler leken, nog voller. Ze was voor mij, van mij alleen. Ze was mij, we waren elkaar. Ik speelde met haar en genoot er intens van. Ik liet haar langzaam draaien, bewonderde haar lijnen aan alle kanten, streelde de rondingen, bewonderde deze rondingen die penseelstreken leken, voelde haar hart kloppen, als een machine die eindeloos pompte en zoog, was teder en hield van Lisa zoals ze daar hing in al haar schoonheid.
Haar ogen probeerden alles te volgen, maar als ik haar gezicht naar de muur draaide, zag ik aan de vage bewegingen van haar hoofd dat ze onzeker naar houvast met haar ogen zocht. Houvast met haar blik. Ze trilt en langzaam zie ik kleine zweetdruppeltjes als blinkende pareltjes verspreidt over haar lichaam ontstaan.
In de kamer zit een krekel. Zo nu en dan wrijft hij zijn achterpoten over elkaar. Op het stalen piepende bed ligt de kleine walkman met twee even kleine boxen erop aangesloten. Selda Baktare. Een Turkse zangeres met een arabisch klassieke melodielijn. Zwaar, log maar eenmaal op gang gekomen vulde zij de kamer met zwoel, tot dromen sprekende muziek. 1000 en 1 nacht.
Langzaam beweeg ik mijn hand en pak de klemmen die we die middag hadden gekocht, streel en betast haar vulva, billen, buik en borsten, alvorens ik ze zet. Ze kermt zacht als de metalen klemmen zich op haar tepels vastbijten, Ik hang er dan een paar bouten aan. Met de bamboelat in mijn hand doe ik een paar passen achterwaarts.

De zon begint langzaam zijn blozend gloed te verliezen en wint aan kracht. Insecten komen tot leven, krekels roeren zich in het, tot geel verdroogde, gras. In de verte hoor ik twee herdersjongetjes zingen. Het lijkt wel of zij met hun melancholische zang communiceren. Hun stemmen worden door de bergwanden weer terug geworpen in het dal beneden.
De Ararat. Een bijna bijbels gevoel komt over mij, speelt in op mijn gemoed. Ik zou mee willen zingen met die herdersjongens maar ben bang dat ik dan de magie verbreek die dit moment zo weergaloos maakt.


Ik hield van dit stukje wereld, was er al diverse malen geweest. Leek magnetisch, een bloem die speciaal voor mij was gegroeid. Onweerstaanbaar, verborgen in klein-Azie waar ik het ooit ontdekte.
Het was een plek vol mystiek. Van over de wereld kwamen er regelmatig tot tanden toe bewapende expedities met tenten, berguitrustingen en satellietfoto's in de hoop, op hun lang voorbereidde tocht, de Ark te vinden. Een meer dan vijfduizend meter hoog bergmassief onderwerpen om een stukje puzzel te vinden die hun dichterbij moest brengen in hun feitelijke zoektocht naar de zin van hun bestaan. Bergschoenen die bloemen, insecten en gras vertrapten tot een pad terwijl het leven om hun heen in de kleine Koerdische dorpjes doorging. Zoals het al jaar in, jaar uit doorging in een onverstoorbaar monotoon tempo. Zoals de krekels hier in een onverstoorbaar monotoon tempo voorbestonden, zoals de bloemen in een onverstoorbaar eigen tempo door bleven groeien.
Op een dag, op één van mijn tochten vond ik een fossiel. Een schelp. Op de kam van een berg met tegenover mij de immense reus van Oost-Anatolie. Het zou toch niet echt zo zijn?


Er was geen plan, geen handboek, geen handleiding. Het kwam over ons heen, Onze ogen bepaalde de richting van het moment dat soms elke ogenblik weer aan inhoud kon veranderen. Twee paar ogen die elkaar uitdaagden, onze passies in werking zette, richting bepaalden. We probeerden boven elkaar uit te stijgen als twee leeuweriken in een strak blauwe lucht. Tot we de wereld ver beneden ons zagen liggen. We cirkelden om elkaar heen en probeerden elkaar te lokken, te verlokken tot een stap. Tot een duik.
En uiteindelijk gaan de endorfinen vrijuit.

Lisa had hem bij binnenkomst bemerkt, ik hem onderworpen aan een grondige inspectie. Hij zat stevig in het beton van het plafond verankerd. Een groot stalen oog. Waartoe het gediend had of misschien nog steeds diende, wisten we niet? Wel dat we elkaar aankeken en zonder nog een woord over dat oog te reppen, besloten die middag naar Dogubayasit te gaan.
Daar in een bazaar liet ik het over aan Lisa. We trokken van winkel naar winkel en eindigde onze zoektocht bij een minzaam glimlachende man welke gereedschappen verkocht en ons uitnodigde voor een glaasje thee. Daar, daar vonden we wat we wilden. Lisa vond het eigenlijk. Een rol pluizig, donkerbruin, henneptouw. Touw waarmee de bepakkingen op ezels werdt gebonden. Ze liet het keurend door haar handen glijden en onderhandelde over de prijs. En ik? Ik vond twee katrollen, een aantal klemmetjes, grote bouten, een stanleymes en bedacht ondertussen een antwoord voor als de man zich verwonderd af zou vragen wat reizigers met deze materialen moesten?
In een tweede winkeltje vonden we tussen wat speelgoed een rubberen bal en een flexibele bamboelat van een vlieger.

De oproep tot gebed weerklink blikkerig door de stoffige straten als wij triomfantelijk vervoer terug zoeken naar ons kleine pensionnetje in de bergen. Daar aten we in het lokale restaurant, die de betonnen optrekjes erachter, als kamers verhuurde. Daar dansden we die avond met de Koerden uit de omgeving en op de muziek en teksten van Sivan Perwer, dronken we raki alvorens wij ons terugtrokken in onze betonnen kamer, ons paleis, ons nachtkasteel.
In de verte blafden honden toen ik kaarsen ontstak en vroeg of Lisa op de tafel wilde gaan liggen.
We haalden de nacht in onze kamer. Een onverzadigbare broeierige nacht, met de wetenschap dat vlak boven onze hoofden, op het dak, de Koerdische bewaker zich had uitgestrekt op het kale matras en zijn geweer bij zich onder de dekens had genomen. Bewaakt, aan de voet van de Ararat, zoals de wereld aan onze voeten lag.

Lisa was uitgeput. Ik had haar op bed teder gestreeld, bewonderd en dekte haar toen toe met de wollen deken van het pension. Toen sliep ze. Er lag een ontspannen trek rond haar mond toen ik zachtjes haar bleke lippen kuste en de kamer verliet. Over een uur zou de zon opkomen.

De zon was intussen tot geel verkleurt, de hagedis verdwenen. De enkele vogel had zich teruggetrokken in een paar vergroeide bomen die een stuk verder aan een klein beekje stonden. De hitte drong nu alles langzaam terug of dwong elke beweging tot een minimum aan inspanning.
We zijn er nog een week gebleven. We dansten, aten, schreven brieven, verhalen, dronken raki en genoten van de herdersjongetjes in de bergen, de mensen, de Ararat, de nachten en van het oog. Een week.

    

BorDom: mail Uw reakties 

of bezoek: BorDom

 

 

back to HeXX-page