Azie: zacht 

Je vliegtuig landt in Delhi, want dan ben je moe genoeg, nog niet uitgeput, maar wel in een
andere wereld, verder zou nu teveel fysieke kracht vergen om makkelijk te volbrengen.
Direct pik ik je uit de chaos: rood en zwart geblokt bloesje en dunne spijkerrok.

`k Loop op je toe. Je kijkt verrast, maar weet. 
Woordeloos neemt de drager je spullen over. 
Woordeloos sla`k een arm om je schouder en leidt je door het gewoel.
De eerste taxi, zo`n oud engels kreng, met een gat in de bodem rijdt ons door het rode
landschap dat Delhi is: rode grond, rode stenen van de muur rond de oude stad.
Binnen de muren stappen we uit en ik laat je voor me lopen, je blanke benen het signaal
voor bedelaars.
`k Duw je zachtjes verder want je wilt geven,spontaan, kijken, opnemen, de vreemde wereld slokt je op. Maar ik heb andere ideeŽn met je en drijf je verder. 

In `t binnenste van de stad zie je mensen in alle vormen, in alle bonte kleuren, fijn gebouwd, bedelend zonder tanden, tere en zachte handen die je aanraken, winkelend, etend, slapend langs de kant van de straat, elkaars haar doen, armen die stompjes zijn.
De hitte ligt zwaar op je en `t jochie dat met z`n autoband voor zich uitrollend een pose aanneemt waar je een foto van MOET maken schuif je toch wat geld. 

`k Loop langzaam achter je en drijf je verder, bespied je, kijk naar alle kleine trekjes in je gezicht, luister naar de geluiden die je maakt. Praten doen we nog niet, ik gun je geen tijd.
`k Laat je kijken naar alles om je heen, onrustig, opnemend, dwalend, proberen te begrijpen. Maar `t is teveel, je raakt verloren, geen houvast in wat je weet.

Achterin een taxi, zet ik een fles lauw, zuur bier aan je mond. Je drinkt, je bent uitgedroogd, je lust het niet, maar drinkt. We lopen door de hal van een tegengestelde wereld: rijk versierd, verzorgd, rust, zachte muziek, spiegels, groene planten, kabbelend water, mensen die zachtjes praten, beheerst.

Op tien hoog stappen we uit de lift, in mijn koele airco wereld.
 `t Zweet op je lichaam voelt nu kil. Zonder wachten kleed ik je uit. Snel bind ik je vast aan de ogen die in de vier hoeken van het raam uitkijken over de kruiswoordpuzzel van de stad beneden ons.

Naakt hang je uitgestrekt, voor ieder die het zien kan aan m`n raam. Je billen smeken als een verticale mond om antwoord op alle vragen die je stellen wilt. Ik ben hier. Ik haal je hier. Kijk over deze stad. Kijk naar `t wemelen beneden je. 
Je hangt hier, schaamteloos, voor ieder te zien, voor mijn genot. Niemand die je kent, niemand die ooit weet, jezelf te zijn. 
M`n hand haalt uit en schokkend hang je voor het raam. Ik kneed je borsten, onbeschaamd, voor ieder toegankelijk. Als bewijs speelt m`n hand glibberig met je natte kut, langdurig, onbeschoft langdurig.
Ik open een raam, draai de airco uit en laat je nog even hangen. De hitte stroomt binnen, de geuren van een oude stad, geluiden, alles nauwelijks herkenbaar voor je. 
Ik maak je los, je bent nergens meer en overal, je wilt alles met je laten doen. 
Voorover buig je op het zwarte bed. Kont omhoog, gezicht op je armen: je wilt genomen worden en vergeten vanwaar je komt.
Dierlijk ram ik in je, strijdend met tegenovergestelde kanten van een wereld.
Ik giet een fles ijskoude wijn over je rug en laadt m`n handen glijden en kneden en slaan:

Du, Du has(s)t, Du has(s)t mich, 
Ich habe dich fur eine nacht. 
Das reicht.

Dan praten we
en praten we pas
en praten we
en praten veel
en praten we
en praten goed
en worden warm
en praten we
en worden vrij
en licht
en lucht.

FOSCA

back to HeXX-page


schoongemaakt