Mijn geluk
Ik ben het zoeken meer dan zat:
Sindsdien heb ik geleerd te vinden.
Sinds ik de wind eens tegen had,
Zeil ik met alle winden
    (fragment 2, blz. 19 uit: De vrolijke wetenschap, Nietzsche)

Onversaagd
Graaf waar gij staat -- en diep!
Daaronder ligt de wel!
Vergeet de duisterling die riep:
'Daaronder is altijd -- de hel!
   
(fragment 3, blz. 19 uit: De vrolijke wetenschap, Nietzsche)

Tegen de lasteraars der natuur. -- Dat vind ik nog eens onaangename mensen, bij wie elke natuurlijke drang meteen een ziekte wordt, iets ontwrichtends of zelfs schandelijks-- die hebben ons verleid tot die mening, dat de drang en de driften van de mens slecht zouden zijn; zij zijn de oorzaak van onze grote onrechtvaardigheid jegens onze natuur, jegens alle natuur! Er zijn genoeg mensen, die zich met gratie en zorgeloosheid aan hun driften mogen toevertrouwen: maar ze doen het niet, uit angst voor dat denkbeeldige 'slechte wezen' der natuur! Daardoor is het gekomen dat er zo weinig voornaamheid onder de mensen te vinden is: kenmerk daarvan zal altijd zijn, geen vrees voor zichzelf te kennen, niets schandelijks van zichzelf te verwachten, zonder bezwaar te vliegen waarheen wij gedreven worden -- wij vrijgeboren vogels! Waar wij ook komen, altijd zal er vrijheid en zonlicht om ons heen zijn.
   
(fragment 294, blz. 173 uit: De vrolijke wetenschap, Nietzsche)

 

In hoeverre moraal nauwelijks te ontberen is. -- De naakte mens is over het algemeen een schandelijke aanblik-- ik spreek over ons Europeanen (en niet eens over de vrouwelijke Europeanen!). Aangenomen, dat het vrolijkste tafelgezelschap zich plotseling door de gril van een tovernaar onthuld en uitgekleed zou zien, dan geloof ik, dan niet alleen de blijmoedigheid verdwenen en de gezondste eetlust ontmoedigd zou zijn -- het schijnt, dat wij Europeanen die maskerade, welke kleding heet, geenzins kunnen ontberen. Zou echter de vermomming van de 'morele mens', zijn verhulling achter morele formules en fatsoensbegrippen, heel dat welwillende verbergen van onze handelingen onder begrippen als plicht, deugd, gemeenschapszin, eerbaarheid zelfverlochening niet haar even goede gronden hebben? Niet dat ik zou menen, dat hiermee iets als de menselijke boosaardigheid en laagheid, kortom het venijnige wilde dier in ons vermomd zou moeten worden; mijn gedachte is omgekeerd, dat wij juist als tamme dieren  een schandelijke aanblik opleveren en de kledij van de moraal nodig hebben --  dat de 'inwendige mens' in Europa juist bij lange na niet erg genoeg is om zicht daarmee te kunnen 'laten zien' (om daarmee mooi te zijn). De Europeaan verkleedt zich in de moraal, omdat hij een ziek, ziekelijk, gebrekkig dier is geworden, dat goede gronden heeft om 'tam' te zijn, omdat hij bijna een misgeboorte is, iets halfs, zwaks, onhandigs... Niet de vreeswekkendheid van het roofdier acht een morele vermomming nodig, maar het kuddedier met zijn diepe middelmatigheid, angst en verveling met zichzelf. Moraal doft de Europeaan op -- laat ons het toegeven! -- tot iets voornamers, beduidenders, aanzienlijkers, tot iets 'goddelijks'.
    
(fragment 294, blz. 173 uit: De vrolijke wetenschap, Nietzsche)

 

Zelfbeheersing.-- De moraalleraars, die de mens in de eerste en voornaamste plaats aanbevelen zichzelf in zijn macht te krijgen, brengen hiermee een eigenaardige ziekte over hem: een gedurige prikkelbaarheid namelijk bij alle natuurlijke roerselen en neigingen, een soort jeuk als het ware. Wat hem ook in het vervolg mag stoten, trekken, aanlokken, aandrijven, van binnen uit of van buiten af-- altijd heeft deze prikkelbare mens het gevoel, dat nu zijn zelfbeheersing in gevaar komt: hij mag zich op geen instinct, op geen vrije wiekslag meer verlaten, maar hij staat er voordurend met een afwerend gebaar bij, bewapend tegen zichzelf, met een scherpe en wantrouwige blik, de eeuwige wactpost bij de burcht, die hij van zichzelf gemaakt heeft. Ja, daarin kan hij groot zijn! Maar hoe omuitstaanbaar is hij nu voor anderen geworden, hoe moeilijk voor zichzelf, hoe verarmd en afgesneden van de mooiste toevalligheden der ziel! Sterker nog, van alle verdere lering! Men moet zich immers bij tijden kunnen vergeten, als men van de dingen, die wij niet zijn, iets wil leren.
    
(fragment 305, blz. 180 uit: De vrolijke wetenschap, Nietzsche)

 

Aan Goethe
Het onvergankelijke
Is slechts uw parabel!
God, de ontoegankelijke
Een dichterlijk fabel...

Wereldrad, al wervelend
Schampt alle doelen wel,
Noodlot -- zegt de zure sterveling,
Doch de dwaas noemt het -- een spel.

Wereldspel, 't heersuchtige
Mengt Zijn en Schijn dooreen.
Het eeuwige-kluchtige
Mengt ons -- er doorheen...

   (blz. 259 uit: De vrolijke wetenschap, Nietzsche)

 

....... rare jongen die Nietzsche....... hihihi: terug naar 't_HeXXen-gedoe.